Telefoons worden centraal opgeborgen
Odido
HILVERSUM - Het gemeentebestuur gaat onderzoeken of het wenselijk is om samen met scholen en maatschappelijke partners een lokale aanpak op te zetten om ouders te adviseren over het gebruik van smartphones en sociale media door kinderen.
Dat schrijft het college van burgemeester en wethouders in de beantwoording van de schriftelijke vragen van het CDA. De partij verwees daarin naar het initiatief in de gemeente Arnhem, waar de gemeente en verschillende organisaties ouders gezamenlijk adviseren hun kinderen zo laat mogelijk een smartphone te geven. Het Hilversumse college is positief over de Arnhemse aanpak. "Wij waarderen het dat partijen daarin gezamenlijk optrekken en ouders ondersteunen in een vraagstuk dat veel gezinnen bezighoudt en waarbij sociale druk een belangrijke rol speelt."
Nee, tenzij
Volgens het gemeentebestuur groeit de kennis over de invloed van smartphones op de ontwikkeling van kinderen de laatste jaren snel. Het college verwijst naar het landelijk beleid om smartphonegebruik in de klas te beperken. Ook noemt het de ouderbeweging Smartphonevrij Opgroeien die sinds 2024 aandacht vraagt voor de gevolgen van smartphonegebruik bij kinderen. Deze beweging adviseert ouders te wachten met het geven van een smartphone totdat kinderen ten minste veertien jaar zijn.
Tegelijkertijd merkt de gemeente op dat veel scholen in Hilversum al maatregelen nemen om het gebruik van smartphones onder schooltijd te beperken. Hoewel het college geen rol heeft in de manier waarop scholen hun beleid rondom smartphonegebruik inrichten, ziet het wel dat veel scholen in Hilversum al het ‘nee, tenzij’-principe hanteren. Telefoons zijn in de les verboden en worden centraal opgeborgen, tenzij de docent expliciet toestemming geeft, bijvoorbeeld voor een educatief doel.
Gezamenlijke aanpak
De gemeente zegt toe te onderzoeken of een gezamenlijke aanpak of gezamenlijk advies vanuit de gemeente, samen met Hilversumse schoolbesturen, kinderopvangorganisaties en maatschappelijke partners, waaronder de GGD en jeugd- en jongerenwerkorganisaties, wenselijk is.